14-08-07

Colombian dreams and nightmares

Gegroet vanuit Colombia! Ondertussen ben ik nog steeds in dit land met zijn duizend-en-één gezichten en heb ik de indruk dat ik nog steeds weinig gezien heb. Dit na ruim twee-en-een-halve maand rondtouren in dit immense land, dit na al die gesprekken met de locals, dit na al die ongelooflijke bergzichten en prachtige stranden die ik heb gezien ... ik heb de indruk dat ik gemakkelijk een jaar, twee jaar zou kunnen ronddalken in dit land dat echt voor iedereen wel wat te bieden heeft ... Het laatste bericht postte ik toen ik in Villa de Leiva was, een dorp in de bergen van Boyacá, niet erg ver van de hoofdstad Bogotá. De mensen van Boyacá staan bekend om hun grote werklust. Het zijn mensen de in het veld werken en die het harde leven kennen, een beetje een Kempenmentaliteit maar dan op zijn Zuid-Amerikaans. In Colombia valt het steeds op hoe de mensen veranderen naargelang de hoogte waarop men zich bevindt. Aangezien de vier seizoenen hier ontbreken (wat men hier ´winter´ noemt komt in feite neer op het regenseizoen, ´zomer´ is het droge seizoen) worden de mentaliteiten voor een aanzienlijk deel bepaald door de hoogte waarop men leeft. Boyacá is een eerder hoger gelegen gebied en dus is het werken er aangenamer, want het houdt je warm. Aangezien de temperatuur heel het jaar min of meer constant is, is er een groot verschil tussen iemand die op een berg in Boyacá woont of iemand die leeft in de zwoele dolgedraaide hitte van een kuststad als Cartagena. Heet weer zet nu eenmaal niet aan tot hard werken, dat weet zowat iedereen, en het is grappig om te weten dat de Colombianen uit het bergachtige binnenland hun landgenoten uit de laaggelegen kuststreek afschilderen als ´parezosos´, luiaards. En het verschil is inderdaad striking. Daar waar in een hotelletje in het binnenland om vijf, zes uur ´s morgens de mensen uit de veren komen om hun dagdagelijkse activiteiten aan te vatten, komen ze aan de kust vaak veel later uit hun nest om vervolgens direct hun hangmat op te zoeken en daar wat te gaan chillen. Ik overdrijf natuurlijk wel wat, maar het heeft wel iets weg van het verschil tussen het noorden en het zuiden in Europa. Die temperatuursverschillen maken dat je als reiziger in Villa de Leiva (Boyacá) zin hebt om lange wandelingen te ondernemen in de bergen en de bossen en dat je na twee uur niksen in Cartagena weeral zin hebt om onder de douche te gaan staan wegens het feit dat je je vuil voelt. Villa de Leiva is een pracht van een dorp, gelegen in een brede vallei. De huizen in het dorp hebben een tuintje met daarrond witte muren die op de straat uitgeven. Het is wel een beetje toeristisch, zeker in het weekend wanneer hordes gestresseerde Bogotanen er komen uitrusten en er energie komen opladen. Maar wat een mooi dorpje met goed onderhouden pleintjes, plezant om er wat in rond te dolen, plaats te nemen op een bankje en te genieten van het spel dat de wolken spelen met de bergen in de directe omgeving. Een uitstap naar dit dorp is echter niet compleet zonder die omgeving werkelijk geëxploreerd te hebben. Ik maakte er een wandeling die de vallei doorkruiste en word nog altijd week als ik aan die dag terugdenk: in de bergen valt de zon anders in en vooral tegen het vallen van de avond levert dat waanzinnig mooie zichten op. Nu moet ik wel zeggen dat mijn tastzin enigszins geprikkeld werd door het jointje dat me aangeboden werd door een paar Bogotanen die hun tenten hadden opgeslagen aan de ingang van een grot. De terugweg naar Villa de Leiva was waarschijnlijk daardoor zo prachtig, wandelend door bergwegen met het hemelblauw dat steeds donkerder werd, met de schaapwolkjes die me samen met de verschillende tinten groen van de bomen en het gras zowat deden geloven dat ik in een stripverhaal was terechtgekomen ... enkel de kabouters ontbraken nog. Die waren waarschijnlijk op het tafereel verschenen als ik me overgegeven had aan het nuttigen van één van de hallucinogerende paddenstoelen waar de regio voor bekend staat, maar op één of andere manier heb ik daar toch altijd wel wat schrik van ... Binnenkort, van 17 tot 20 augustus, is het in Villa de Leiva het ´festival de las cometas´, het festival van de windvliegers, en daar wil ik zeker naartoe, want Villa de Leiva en vooral zijn omgeving met watervallen, grotten, groene weiden en naaldwouden is meer dan een bezoek waard ... Vervolgens, vooraleer de trek naar de Caraïbische kust aan te vatten, bezocht ik samen met Paola, die jullie nog wel zullen herinneren uit het vorige bericht, de ´Mesa de los Santos´ (de Tafel van de Heiligen). Het betreft een soort plateau, met van boven een landschap dat, door de hoogte en de relatieve platheid van het geheel haast een Belgisch landschap zou kunnen zijn, met groene weiden en zwart-witte koeien, ware het niet dat dit plateau begrensd wordt door een kanyonachtige ravijn. Prachtig hoe je beneden, meer dan duizend meter lager, de rivier Chicamocha ziet stromen en hoe je een zicht hebt op de prachtige kanyonstructuren van de bergen aan de andere kant van de rivier. Later ging het naar Bucaramanga, de hoofdplaats van het departement Santander, een stad met de omvang van Brussel en één die bekend staat als de ´ciudad bonita´ (de mooie stad) en de ´ciudad de los parques´ (de stad van de parken). Nu moet ik zeggen, dat tweede is zeker waar, het stikt er van de parken en dat is op zich natuurlijk een pluspunt, maar om nu te zeggen dat het echt een mooie stad is, dat is nogal ver gezocht. Maar bon, de gemiddelde Zuid-Amerikaanse stad is gewoonweg lelijk en dus valt Bucaramanga goed mee, want de stad is redelijk overzichtelijk en gestructureerd ... Laat het me persoonlijk ´la ciudad no fea´ noemen, de niet-lelijke stad. De tocht naar de Caraïbische kust verliep om praktische redenen via het westelijke deel van Venezuela. Waarom? Aangezien de zestig dagen die de douane me toegekend had, haast verlopen waren, moest ik het land uit. Colombia een dag later terug binnenkomende, gaf men mij direct terug zestig dagen zonder meer. Dit vermeed allerlei bureaucratische regelingen waaraan je onderworpen wordt wanneer je de grens niet oversteekt. Verder wilde ik naar La Guajira gaan, het meest noordelijke departement van Colombia, een departement dat haast bovenop Venezuela ligt, waardoor de tocht door Venezuela korter en goedkoper uitkwam (de bussen zijn er tot drie, vier maal goedkoper voor dezelfde afstand). Zo belandde ik via een adembenemende busrit langsheen allerlei bergen van Bucaramanga in Cúcuta, aan de grens met Venezuela. Die dag kon ik de grens niet meer oversteken aangezien het al te laat was en werd ik dus gedwongen één nacht in die vieze, vuile, chaotische stad door te brengen. Grens = smokkel = veel boeven, dus op het eerste zicht niet meteen een aan te raden bestemming. Toch was Cúcuta de moeite waard, als was het maar voor de interessante gesprekken die ik er had met de verkopers van de woldraad die ik gebruik om armbandjes te maken (want daar ben ik nog altijd mee bezig) of die halve gare die mij in het Engels aansprak en die me wilde bewijzen dat Colombia ´the land of liberty´ is. Hoe? Door mij te tonen hoe hij in het zicht van iedereen cocaïne kon kopen zonder dat daarover gemelkt werd: ´Ginder (´Allá´ = Europa en de VS) denken jullie dat Colombia een heel strikt en gevaarlijk land is, maar dat is niet zo. Hier kan je doen wat je wil. Colombia es libertad.´ De volgende dag stak ik de grens over en werd mijn bagage slechts één keer gecontroleerd, wat heel erg meeviel aangezien de Venezolaanse politie nu niet meteen een hoge dunk heeft van reizigers die vanuit Colombia hun land binnenkomen. Ik heb verhalen gehoord van andere reizigers die tot zeven, acht keer hun hebben en houden moesten uitladen en die een hele reeks vragen werden gesteld. Ik werd dus relatief met rust gelaten. Eens in San Cristóbal aangekomen, nam ik een nachtbus naar Maracaibo, de petroleumhoofdstad van Venezuela, en niet ver van die andere grensovergang met Colombia, de overgang die toegang geeft tot La Guajira en de Caraïbische kust van Colombia. Even bezocht ik Maracaibo, een stad die me eraan herinnerde waarom ik niet van Venezolaanse steden hou: chaos, zoveel uitlaatgassen dat je er een instanthoofdpijn van krijgt, superheet, niet meteen de vriendelijkste mensen, veel machogedrag en autobestuurders die zich in één of ander racegame wanen ... Een mooi voorbeeld hiervan is de taxichauffeur die mij en een Venezolaanse familie tot aan de grens bracht: een onvriendelijke macho (een ´burro´, ezel, zoals ze hier zeggen) die het een vanzelfsprekendheid vond dat hij steeds voorrang had op anderen, ongeacht de verkeerssituatie, en die hevig begon te klaxonneren telkens wanneer die anderen daar niet mee akkoord bleken te zijn. De rit van Maracaibo naar Maicao, in Colombia, werd een zevental keer onderbroken door de Venezolaanse politie die om paspoorten en dergelijke meer vroegen. Tussen Venezuela en La Guajira (Colombia dus) bestaat een hevige smokkel en het gaat er blijkbaar soms nogal wild aan toe - dit verklaart de overmatige vertegenwoordiging van politie in het aangrenzende Venezolaanse deel, het deel waar wij dus door moesten. Aan de grens werd het dan nog eens twee uur aanschuiven en dit omdat één functionaris voor iedere persoon die het land verlaat / binnenkomt een (zinloos?) document stond in te vullen dat de reizigers in kwestie gemakkelijk zelf hadden kunnen invullen, zo moeilijk waren de vragen niet. Echter, de functionaris deed dit alles op haar dooie gemakske, ongeacht het aantal reizigers dat daar in de hitte stond te wachten. Daarna was het goodbye Venezuela en na een halve minuut in het kantoor van de DAS (Colombiaanse douane) verbleven te hebben, had ik mijn nieuwe stempel in mijn paspoort, goed voor zestig dagen Colombiaans reisplezier. Een week lang vertoefde ik in La Guajira, waar een belangrijke indianenpopulatie leeft, namelijk de wayuus. De woestijnachtige streek die La Guajira is, maakt dat het leven er harder en moeilijker is dan in de rest van Colombia. Stel je voor: de rest van Colombia is heel groen met redelijk wat regenval zodat vele verschillende planten kunnen gedijen, wat het leven er gemakkelijker maakt. De planten groeien namelijk vanzelf. La Guajira echter is anders. Het regent er haast nooit, buiten kaktussen en doornstruiken vind je er haast geen vegetatie. Nu is dat waarschijnlijk juist dé reden waarom de wayuus zolang hun levenswijze hebben kunnen bewaren. De kolonisatoren hadden er weinig belang bij veel te investeren in deze regio aangezien er toch niks groeit. De regio moet dan ook een lange tijd geïsoleerd zijn geweest, zelfs vandaag nog. Hoe verklaar je anders dat een flink deel van de wayuus geen Spaans spreekt? Eerst verbleef ik in Manaure, een kustdorp waarvan de economische activiteit vooral bestaat uit een zoutmijn die er geëxploiteerd wordt. Later reisde ik naar de Cabo de la Vela (de Kaarskaap), het uiterste noorden van Colombia, een streek die moeilijk toegankelijk is als je niet over een wagen beschikt. Tegen het donker werd ik afgezet aan de kruising met de baan die werkelijk naar de kaap leidt en van daaraf aan was het nog een slordige twintig kilometer stappen. Ik had het plan opgevat om twee uur te stappen, te slapen en dan de volgende morgen zeer vroeg verder te stappen, om de hitte te vermijden waarmee je in een woestijn geconfronteerd wordt. Al snel bood een familie mij een lift aan `tot aan de kaap`, maar in plaats daarvan werd ik aan een klein huisje in the middle of nowhere afgezet. Zij woonden namelijk daar en moesten niet verder, maar de kaap zou `cercita` (heel dichtbij) zijn. Nu weet ik al langer dat `cercita` een heel relatief begrip is dat vijf minuten maar even goed een uur kan betekenen. Ik zag in de verte het licht van de vuurtoren en ik begaf me op weg in de haast complete duisternis, waarbij ik voor een deel werd vergezeld door een wayuu op een fiets. Grappig, want ik praatte met iemand zonder dat ik zijn gezicht kon zien. De volgende dag had ik er dan ook geen besef van wie me nu begeleid had. Soit, na twee uur gewandeld te hebben en die `dichtbijgelegen` kaap nog steeds niet bereikt te hebben, besloot ik mijn tentje op te slaan en te gaan maffen, want ik had een enorme vaak. De volgende morgen werd ik gewekt door een andere wayuu op een andere fiets: ´He, wat doe je hier? Waarom slaap je hier?´. Ik: `Tja, ik wilde naar de kaap wandelen, maar ik was moe en heb hier dan maar mijn tent opgeslagen.` Hij: `Aah, maar ik woon in dat huis daar. Je moet hier niet slapen, kom toch in mijn huis slapen.` En zo zat ik tien minuten later bij Gaitan, zoals hij heette, en zijn Spaansonkundige vrouw op de koffie. Uiteindelijk zou ik vier dagen verblijven in hun huis dat effectief op het strand gebouwd is, een ideale manier om de levensstijl van de wayuus gade te slaan. Ik moet zeggen: ze leven in armoede, ze hebben haast niks (geen elektriciteit en geen lopend water), maar wat ze wel hebben, die wayuus, is alle rust van de wereld, elke nacht een prachtige sterrenhemel, verse vis uit de zee en af en toe een stevig jointje. Hun levensstijl lijkt me heel simpel en repetitief. De vraag: `Zijn deze mensen gelukkig?` kwam meermaals in me op. Met alles wat ik tot nu toe in mijn leven gewoon ben geweest, zou ik er me na een tijd beginnen te vervelen, denk ik, maar die wayuus hebben vaak niks anders gekend in hun leven. Dus de vraag: verlangen ze naar meer? Tegelijkertijd begon ik me vragen te stellen over wat te prefereren zou zijn voor deze mensen: meer ontwikkelingshulp en een hoger welvaartspeil en dus meer invloed uit de `moderne wereld` of daarentegen een gehele isolatie ten opzichte van die moderne wereld waardoor hun cultuur intact blijft, maar waardoor de armoede een reëel gegeven in hun bestaan blijft? Spreken ontwikkelingshulp en het in stand houden van een eigen cultuur elkaar per definitie tegen? Het hoeft toch niet zo te zijn, en toch ... In elk geval, moest ik kunnen kiezen, ik zou, denk ik, liever een arme wayuu zijn die elke dag zijn vis haalt uit de zee en die deel uitmaakt van een stevig sociaal netwerk, dan een arme Colombiaanse stedeling, die elke dag moet zien te overleven in een povere, overbevolkte buurt met veel te veel legaal dan niet illegaal wapentuig. Ik had trouwens de indruk dat de wayuus liefst niet te veel in contact treden met Colombianen en Venezolanen (want in Venezuela wonen ook wayuus), wat voor hen even goed buitenlanders moeten zijn dan iemand zoals ik. Langs de andere kant leven ze dan weer deels van het artisanaat dat ze aan die Colombianen en Venezolanen verkopen, dus de relatie met hen moet heel dubbelzinnig zijn. Hun spulletjes zijn trouwens zeer goedkoop en van goede kwaliteit is. Ik heb dan ook een tasje van de Cabo de la Vela aangeschaft als cadeautje voor Paola, gemaakt door de vrouw van Gaitan tijdens mijn verblijf. Die dagen waren een afwisseling van chillen in de hangmat, zwemmen in de rustigste zee die ik tot nu toe gekend heb, wandeltochten ondernemen naar de Cabo de la Vela en de Pilón de Azúcar (een heuvel die de `hoop suiker`genoemd wordt) en de visnetten uitlaten in het stuk zee voor het huis van Gaitan. De gesprekken met deze eveneens achtentwintigjarige man waren zeer interessant. Hij vertelde me over hoe hij voor een bootmaatschappij werkte en zo in Aruba en Curaçao geweest is, maar tevens spraken we over de cultuur van de wayuus en wist hij me te vertellen dat de verlaten kusten van La Guajira veelvuldig werden gebruikt om Colombiaanse coke te verschepen naar Aruba: `Als je de kustlijn dertig kilometer naar ginder volgt, kom je een wit huisje tegen. Vandaaruit vertrekken de bootjes. Maar (glimlach) jij kan er best niet naartoe gaan ...` Bleek dat een neef van hem zeven jaar vastzit in de Dominicaanse Republiek voor drugssmokkel. Dichtbij de Cabo de la Vela bevinden zich een aantal goed uitgeruste restaurants: volgens hem zijn de uitbaters allemaal mensen die één keer drugs gesmokkeld hebben en met het geld (want het wordt goed betaald!) een zaakje uit de grond stampten: the Colombian dream op en top! Na vier dagen in die hete woestijn verbleven te hebben (met af en toe een plons in het heerlijke turkoois gekleurde water) vatte ik de reis aan naar Riohacha, de hoofdplaats van La Guajira. Om vier uur `s morgens vertrok het busje om vervolgens drie uur lang te rijden op een kaarsrechte baan (zonder één bocht!) en via een geasfalteerde baan bereikte ik rond negen uur `s morgens Riohacha, een niet al te grote, relatief mooie en rustige stad met vriendelijke mensen. Daar was de bevolking niet indiaans. De wayuus gaan ernaartoe om hun spullen te verkopen, maar de bevolking is er eerder een mengeling van indianen- en zwart bloed, een overblijfsel van de mensen die er woonden voor de kolonisatie en de geïmporteerde Afrikaanse slaven die er op de plantages moesten werken. De bevolking van de gehele Caraïbische kustlijn is inderdaad veel donkerder qua huidskleur dan de Colombianen uit het bergachtige binnenland. Riohacha heeft tevens een mooi strand: het loont de moeite er enkele dagen te blijven rondhangen. Na een tweetal dagen zette ik mijn tocht verder naar een nationaal park dat twee uur rijden verderop ligt, vlakbij de kuststad Santa Marta: het nationaal park Tayrona. Ik herinner me nog steeds het gevoel dat me overviel toen ik er voor de eerste keer de hemelse stranden aanschouwde. Mijn mond viel open van verbazing en hoewel de zon het strand in een hete hel veranderde, kreeg ik gewoonweg kippenvel bij het zien van zo´n mooi strand. Wat het nationaal park zo speciaal maakt, is het feit dat er zowat overal van die geschifte rotsblokken liggen. Hoe ze daar terechtgekomen zijn, ik zou het niet weten, maar het geeft het geheel een zeer speciaal zicht. Tussen de stranden lopen allerlei paadjes waarop je overweldigd wordt door enerzijds de tropsiche vegetatie en anderzijds de duizenden krabjes die als een speer wegvluchten naar hun holen wanneer je ze te dicht passeert. Soms zag ik wel twintig, dertig krabben tegelijkertijd en geloof me, joekels dat daar tussen zaten! Om te overnachten in het nationaal park zijn er verschillende mogelijkheden: er zijn de `ecohabs`, dure hutten ver van het strand. Verder kan je een hangmat huren of in de tent slapen aan twee van de stranden (met het probleem dat het daar volloopt van de buiten- en binnenlandse toeristen) of ... je kan spotgoedkoop overnachten in een kokosnootplantage vijf minuten van het strand, met niets dan vriendelijke en interessante mensen, alle rust en ruimte die je nodig hebt. Het duurde dan ook niet lang vooraleer ik in deze finca, die van Don Pedro, mijn tent had opgeslagen én mijn hangmat had uitgerold ... kwestie om wat te kunnen afwisselen. Die dagen was ik heel de tijd bij een groep Fransozen die zoals ik het verborgen geheim van Tayrona ontdekt hadden en erover verbaasd waren dat blijkbaar alle gringo`s naar het strand oprukten om zich er een plekje te verschaffen tussen al die andere gringo`s en dat voor de driedubbele prijs als in Don Pedro, wiens service nog eens driedubbel zo goed was! Na een tijd in de woestijn doorgebracht te hebben, deed het deugd om nog eens in een vegetatierijk gebied te zijn met zijn dagelijkse regenval die de avonden afkoelde. Op en top tropen! Met bovengenoemde Fransozen ondernam ik verschillende wandeltochten in het park, zwemden we in het heerlijke water, bezochten we een indianendorp in het midden van het park en kookten we `s avonds zeer uitgebreide en overheerlijke maaltijden met mijn kookstelletje (´Mais, ça marche avec de l´essence? C´est génial!´) aangezien een vuurtje stoken door de avondlijke regenval nogal moeilijk was ... Met diezelfde Fransozen, waarvan er twee al een hele tijd in Colombia waren, hadden we tevens superinteressante gesprekken over de sociale en politieke situatie in Colombia en over het feit dat dit land steeds in negatief daglicht wordt gesteld, terwijl er eveneens zovele positieve verhalen over Colombia te vertellen zijn. Maar in de ogen van de wereldopinie moet en zal Colombia blijkbaar het land zijn van corruptie, geweld en drugstrafiek. Of: hoe we door het nieuws te volgen in feite niks weten, vooral dan in de huidige mondiale tendens om het nieuws te verkleuteren en buitenlands nieuws te verengen tot een aantal spectaculaire feiten. Alsof er in dit soort landen geen enkel positief nieuws te halen valt. Zoals een Nederlandssprekende Colombiaanse die ik in het park ontmoette, me zij: ´Al die meense in Niederlant tenken tat Colombia supergefaarlek es, maar tan kome se ier en falt hun mond open fan ferbasing!´ En toch ... sommige Colombianen, vooral zij die in de steden wonen, hebben soms de neiging om de problemen die in hun land bestaan te minimaliseren, aangezien de stedelingen in hun dagelijkse bestaan haast niet geconfronteerd worden met al die problemen. Echter, als je als reiziger de problemen zoekt, zul je ze wel degelijk vinden. In bepaalde, rurale en afgelegen zones ga je best niet onvoorbereid en heb je best enkele contacten om problemen te vermijden. Ik heb daar nog niks van ondervonden aangezien ik steeds in streken vertoefd heb die min of meer veilig te noemen zijn. Maar om een voorbeeld te geven: om de Ciudad Perdida, een precolombiaanse site nabij het nationaal park Tayrona, te bezoeken (in de Sierra Nevada de Santa Marta) ben je haast genoodzaakt deel te nemen aan een georganiseerde tour opgezet vanuit Santa Marta. Waarom? Omdat de streek nog steeds onderworpen is aan de strijd tussen guerrilla en paramilitaire groeperingen. Met die tour is je zekerheid gegarandeerd en het zou naar het schijnt zeer de moeite zijn, maar dat kost dan wel 100 dollar per dag. Dit geld dient grotendeels om de guerrilla te betalen zodat ze je met rust zouden laten. Bon, voor dat geld kun je veel andere zaken doen en dus besloot ik de Ciudad Perdida links te laten liggen. Maar wat vele West-Europeanen weleens vergeten: Colombia is helemaal geen gevaarlijk land voor de toerist/reiziger die zorgvuldig zijn bestemmingen uitzoekt, noch voor de Colombiaan die in bepaalde stedelijke zones woont. Echter, voor bepaalde Colombianen, zij die in de rurale, achtergebleven zones wonen, is het probleem nog steeds erg bestaande. Het conflict heeft de laatste decennia een grote weerslag op de Colombiaanse bevolking gehad. De cijfers liegen er niet om: van de 45 miljoen Colombianen zijn 3 miljoen (of één in vijftien) desplazados, dit wil zeggen mensen die door paramilitairen (niet door de guerrilla) gedwongen zijn geweest te verhuizen. Het resultaat is dat er vandaag de dag in Colombia echte spookdorpen bestaan waar geen levende ziel meer woont en dat de steden vollopen met bedelaars die anders gewoonweg hun velden hadden kunnen bewerken en daarvan hadden kunnen leven. Een ander cijfer: 90 procent van de vermoorde syndicalisten in de wereld in de afgelopen tien jaar (ik ben niet zeker over de periode) was Colombiaan. Een desastreus cijfer! En zo zijn er nog wel een hoop voorbeelden te geven. Je moet maar eens wat gaan rondzoeken op het internet. Met andere woorden: voor Colombianen die zich op belangrijke posten bevinden, alsook voor een deel van de rurale bevolking is de guerra nog steeds een reëel gegeven. Alvaro Uribe, Colombia´s president, haalt juist zijn (relatieve!) populariteit uit het feit dat hij in de vijf jaren die hij aan de macht is, de veiligheid voor een deel heeft kunnen doen terugkeren. Reizen tussen de steden is vandaag weer mogelijk geworden, daar waar dit enkele jaren geleden steeds een risico inhield, aangezien een belangrijk aantal bussen onderweg tegengehouden werd door guerrilla of paramilitairen. Als reiziger ben je langs de ene kant blij dat de man aan de macht is, want door zijn politiek kan je relatief rustig het land verkennen, en kijk je niet dieper dan zou je Uribe the perfect man on the perfect place kunnen noemen. Maar Uribe heeft wel degelijk zijn donkere kant. Ik vertelde al in mijn vorige bericht dat hij de mede-oprichter is van de paramilitaire groeperingen (de guerrilla vermoordde zijn vader en nog enkele van zijn familieleden) die de veiligheidssituatie de laatste decennia volledig de grond ingeboord hebben. Dus, zijn veiligheidspolitiek is het blussen van de brand die hij zelf mee veroorzaakt heeft. Uribe dus als de pyromaan-brandweerman. Er bestaat ook een groot contrast tussen de politiek die Uribe werkelijk voert en het imago dat hij steeds van zichzelf ophangt. De man doet er alles aan om de guerrilla in een negatief daglicht te doen stellen en dit om zijn politiek te kunnen doordrukken. Het viel me al op hoe de guerrilla in de media, die moeilijk anti-Uribe kunnen genoemd worden, steeds als terroristen gebrandmerkt worden, daar waar de paramilitaire groeperingen `illegale groeperingen´ zijn. Overlaatst ontvoerde de guerrilla in het departement Valle de Cauca (regio Cali, zuidwesten van het land) elf gedeputeerden, later werden ze vermoord. In het nieuws verscheen dit item als een alweer afschuwelijke daad van de guerrilla. Echter, van verschillende Colombianen hoor ik andere theorieën. De guerrilleros zouden maar liefst drie militaire posten hebben kunnen passeren zonder gestopt te worden en die elf vermoorde gedeputeerden zouden het resultaat zijn geweest van een aanval van het leger (die volgens Uribe nooit plaats heeft gevonden). Dirty politics! Een hoteluitbater met wie ik een vier uur durend gesprek had over Colombia en zijn problemen stelde het zo voor: ´De guerrilla en de paramilitairen hebben er alle belang bij om de guerra te laten voortduren. Ze hebben elkaar nodig. Beide groeperingen zijn verwikkeld in allerlei duistere zaakjes die veel geld opleveren (waaronder drugshandel). Als de guerrilla ophoudt te bestaan, hebben de paramilitairen evenmin een bestaansreden en dat willen hun leiders natuurlijk koste was kost vermijden.´ Uribe lanceert programma´s om paramilitaire (en guerrilla-)groeperingen te ontmantelen, maar tegelijkertijd bevinden vele ex-paraleiders zich op belangrijke staatsposten. Vele Colombianen zijn zich bewust van deze problematiek, maar Uribe is voor velen het minst slechte alternatief. Ondanks zijn achtergrond en zijn stinkende ondergrondse politiek heeft hij één belangrijke tendens kunnen doen keren, namelijk die van de veiligheid, en ik kan begrijpen dat juist dát voor de meeste Colombianen, met hun ervaringen uit de afgelopen decennia, net het belangrijkste is. Zoals ik al zei, Uribe is niet de populaire man zoals hij soms in Europese en vooral Amerikaanse media wordt opgehangen, hij is voor nogal wat mensen het minst slechte alternatief, zelfs wanneer de man door zijn ultraliberale parcours de toekomst van zijn mensen allerminst veilig stelt. Het onderwijs zal geprivatiseerd worden (met dus duurdere universiteiten ...), de gezondheidszorg moet eraan geloven, en dit omdat meer en meer geld dat uit belastingen wordt geïnd, geïnvesteerd wordt in de strijd tegen de guerrilla en de drugshandelaars. De laatste weken heb ik echt zin gekregen om heel deze problematiek van dichter bij te studeren, want hoewel ik uit gesprekken al veel heb geleerd over de situatie van Colombia, zijn er nog een hele hoop zaken die me niet duidelijk zijn en waarover ik meer zou willen weten. Soit, waar was ik gebleven? Het nationaal park Tayrona: zoals ik al beschreef, een supermooi park, een must indien je ooit naar Colombia op reis zou gaan. Aan de uitgang van het park vond ik al binnen de halve minuut een bus naar Cartagena, die oude koloniale stad aan de Caraïbische kust. Cartagena is Unesco-Werelderfgoed: het bestaat uit een oude koloniale stad met mooie pleintjes en kleurrijke huizen. Heel leuk om er rond te kuieren. De oude stad is tevens omgeven door een vestigingsmuur. Cartagena 1, alias de oude koloniale stad, is op die manier hermetisch afgesloten van Cartagena 2, de rest van de stad. En de rest van die stad, dat is een ander plaatje ... Cartagena 2, alias het niet-oude koloniale deel, is een stad van miserie en armoede, een stad van gelukszoekers en vooral ook veel drugsverslaafden. De centrale markt van Cartagena is zowat de vuilste, meest chaotische markt die ik in Colombia gezien heb (hoewel die van Riohacha niet echt moest onderdoen). De lokale sport blijkt ´geld lenen´ zijn. Geld op zich lijkt er meer dan in andere delen van Colombia een totale obsessie te zijn. Je maakt er dan ook veel kans om afgezet, beroofd of niet terugbetaald te worden. Ikzelf mocht het laatste meemaken. Dat ging min of meer zo. In het hotelletje waar ik zat, was een Indiër die van alles beroofd was, althans dat was het verhaal dat mij voorgehouden werd, niet door die Indiër zelf, maar door een kerel die in het hotel werkte (wat achteraf ook al niet waar bleek te zijn, hij bleek wat klusjes op te knappen in het hotel omdat hij zijn kamer niet meer kon betalen?). Die Indiër kwam mij als te vertrouwen over, want niets in zijn gedrag of uit de dingen die hij zei, kwam mij als verdacht over. Hij legde tot in de details uit hoe hij beroofd werd toen ik hem dat vroeg, liet foto´s zien van zijn vrouw en zoon, speelde kaartspelen met mij en anderen ... werkelijk niets deed mij vermoeden dat hij mij in het zak zou gaan zetten. Hij vroeg me op een bepaald moment om hem geld te lenen. Ik zou het de volgende dag terug hebben, aangezien hij via Western Union geld ging laten overzetten. Sterker nog, hij vroeg me of hij in mijn naam het geld kon ontvangen, aangezien ze zijn paspoort beroofd hadden en op die manier geen geld kon afhalen (achteraf blijkt dat Western Union met een vraag werkt: de schenker stelt een vraag waarvan de ontvanger het antwoord kent - meestal wordt er niet om een paspoort gevraagd). Ik was er dus van overtuigd dat ik mijn geld ging terugzien wanneer we samen de volgende dag het geld zouden gaan ophalen. De man belde zelfs naar Western Union om te vragen of het geld opgestuurd onder de fictieve code al gearriveerd was. Wegens een ´communicatieprobleem´ gaf hij me de telefoon door waarbij ik in gesprek was met een dame die me vertelde dat het geld nog niet gearriveerd was, maar dat ik later die dag nog eens moest proberen. Later die dag vertelde de Indiër dat het geld gearriveerd was (achteraf blijkt dat zulke transfer een kwestie van twee seconden is, het geld kon dus niet ´onderweg` zijn). De volgende dag om negen uur ´s morgens was hij ... weg. Geen Indiër meer te bespeuren. Ik dacht zelfs eerst nog een tijd dat hij iets overkomen was. Later werd het me pas duidelijk dat hij me in het zak had gezet. Uiteindelijk was ik slechts een twintigtal euro lichter gemaakt, maar het gevoel te naïef geweest te zijn, overwoog toch wel. En toch, hij had alles zo goed voorbereid, niets in zijn handelen wees erop dat hij een niet te vertrouwen man was. Achteraf bleek ook die kerel die me eerst had gezegd dat die Indiër overvallen was en die dus niet in het hotel werkte, diezelfde morgen vertrokken te zijn. Blijkbaar had hij een Française die in het hotel zat, zowat hetzelfde geflikt. Ik denk dat ze samenwerkten, die kerel en ´mijn´ Indiër. En zo zijn er duizend-en-één verhalen in Cartagena, een prachtige en tegelijkertijd oerlelijke stad waar de mentaliteit ´geld, geld, geld´ is. Wat blijkt? Dat steeds minder Colombiaanse toeristen Cartagena bezoeken omdat ze het beu zijn de hele tijd afgezet en beroofd te worden. De mensen uit Cartagena waren, en dit totaal onafhankelijk van mijn specifieke ervaringen met die gasten in mijn hotel, zowat de minst sympathieke Colombianen die ik tot nog toe tegenkwam. De mentaliteit deed mij sterk aan die in Venezolaanse steden denken. Achteraf ben ik ergens blij dat ik Cartagena op die manier heb leren kennen. Je kan een duur hotel in het ommuurde deel van Cartagena nemen en het toeristische deel nooit verlaten. Je zal dan een zeer mooi beeld van Cartagena ophangen ... enkel, dat deel van Cartagena is in mijn ogen niet het échte Cartagena. Nee, geef mij dan maar Medellín, mijn volgende bestemming en de tweede grootste stad van Colombia. Medellín zal iedereen wel bekend in zijn oren klinken en wordt in de wereldopinie onvermijdelijk geassocieerd met de ondertussen veertien jaar geleden vermoorde drugsbaron Pablo Escobar en zijn fameuze ´kartel van Medellín´. Begin jaren negentig woedde de drugsoorlog in deze stad, maar ik mocht het al lezen in een reisgids die ik van iemand leende: `Het is opmerkelijk om te zien wat voor transformatie Medellín de laatste tien jaren heeft ondergaan.´ Inderdaad, Medellín is een stad die barst van de activiteiten, er zijn enkele prachtige musea, zoals het Museo de Antioquia (het department waarvan Medellín de hoofdstad is) met zijn fameuze schilderijen en beelden van Fernando Botero. De kunstkenners onder jullie weten ongetwijfeld over wie ik het heb. De stad is niet supermooi, maar zeker niet lelijk, al is het maar omdat Medellín in de bergen ligt en dat de stad pas hoog op de bergflanken ophoudt te bestaan, waardoor je ´s nachts steeds door lichtjes omgeven wordt. De stad heeft, tot grote trots van de inwoners, een metro en wat voor één! Ze ligt niet onder- maar bovengronds en dus zie je steeds waar je naartoe gaat, zo passeer je al die straten waarin gemarchandeerd en geparadeerd wordt ... De moeite op zich! Bovendien kwamen de inwoners van Medellín me veel sympathieker over dan die van Cartagena en is het de stad ´van de eeuwige lente´. Ik was er tijdens de ´feria de las flores´ en het vijfde festival van de Colombiaanse film waarbij de gehele programmatie gratis was! (dat is nog eens wat anders dan die dure tickets tijdens het Filmfestival van Gent). De films waren dan nog eens de moeite ook. Medellín heeft in Colombia tevens de faam de mooiste vrouwen te bezitten, en ik moet zeggen, naar wat ik tot nu toe gezien heb, verbaast me dat totaal niet! Maar zoals jullie weten ben ik eerder al een knappe Colombiaanse tegengekomen en dus: ´kijken mag, maar aankomen niet´. En dus vertrok ik eerder deze week vanuit Medellín terug naar Socorro, Santander, om Paola, die ik al bijna een maand niet meer gezien had, terug te bezoeken. Nu zie ik haar elke dag en dat doet me goed; ze is gewoonweg super! Nog steeds houden we onze relatie verborgen voor de buitenwereld, en dit terwijl steeds meer mensen hun vermoedens hebben ... maar zoals dat in Colombia gaat: ´laat ze maar denken, vermoedens zijn vermoedens ...`. Zo, dit was het zowat voor deze keer. Ik schat dat dit tot nu toe zowat mijn langste (hopelijk niet langdradige) bericht is. Om de imagegeeks onder jullie tevreden te houden heb ik ook deze keer een aantal foto´s toegevoegd, met uitleg uiteraard. Het ga jullie goed en heb je zin om me te laten weten waarmee je bezig bent, vooral niet aarzelen. Het is altijd plezant om berichten van jullie te krijgen. Nos vemos en het beste.Uitleg bij de foto´s: 1. De regio rond Villa de Leiva: het spel van de wolken met de bergen. klein15382. Een waterval in de buurt van Villa de Leiva. klein15543. De regio rond Villa de Leiva: una belleza total. klein15664. Wanneer het begint te schemeren nabij Villa de Leiva zie je min of meer dit.klein15745. Met Poala en haar neef Daniël op de Mesa de los Santos, met beneden diep in het ravijn de rivier Chicamocha. klein15836. Manaure, La Guajira, de zoutmijn van het dorp. Grappig, vanaf zowat elk punt op het strand kan je de zoutstroom zien die op de zoutberg valt. klein17167. Manaure, schemering met fietstaxi, een geliefd vervoersmiddel. klein17208. Cabo de la Vela, merk het contrast op tussen het aride land en het turkoois gekleurde water ...klein17299. Cabo de la Vela, de wayuus leven meestal in dit soort huizen. De muren houden de bries van de zee niet volledig tegen, een natuurlijk ventilatiesysteem dus. klein173610. Gaitan en zijn vrouw die de laatste details leggen op een tasje met opschrift: `Cabo de la Vela`.klein174911. Enkele rotsblokken zoals er zoveel zijn in het nationaal park Tayrona. klein177612. Dreigende wolken in het Tayrona. Even later zou de hemel openbarsten en een waarlijke stortvloed neerdalen op aard.klein178413. Een schemerend Tayrona na de stortvloed. klein179414. Met de Fransozen op het strand genietend van een eigenbereide maaltijd. klein180015. Zonsondergang in het Tayrona. klein182716. Cartagena: Probeer de lachspieren maar eens te bedwingen wanneer je politieagenten ziet passeren in zulk golfkarretje ...klein184217. Een zicht binnen de muren van Cartagena. klein184718. Reconversie in Medellín: een huis dat als vuilnisbelt gebruikt wordt. klein186819. Het centrum van Medellín: de kathedraal, de beelden van Botero, de bovengrondse metro ...klein187320. Een typisch standbeeld van Botero: ´Joa, dieë Botero, da mut toch wel ne speciale gast zen, hé Jos!´ klein187521. Een straatbeeld in Medellín met in de achtergrond barrio´s tot hoog in de heuvels. klein187722. Madelin en Paola op de motor. Pittig detail: ik was te voet nog wel sneller! Wordt hiermee een cliché bevestigd? ;-)klein1881

17:48 Gepost door Peter in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.